DE FOKKERIJ IN EUROPA
(Grotendeels overgenomen uit Renate Alferink-Lerche: "de Newfoundlander, een hond om van te houden")
Er ontstond een grote, zwarte Newfoundlander. Uit de inheemse hond, relatief klein, met krullerig haar en een spitse snuit, maakten de Engelse fokker dankzij hun feeling in een korte tijd een grote New-foundlander met zwaar botwerk, sluik haar, ronde schedel en bredere snuit.
Later, toen het fokprogramma al verder gevorderd was, kruiste men af en toe weer honden uit Newfoundland in, zoals bijvoor-beeld rond 1880 de bruine Jenny en de zwarte Sybill. Deze beide teven zien we herhaaldelijk terug in de stambomen van de meeste, vooraanstaande Newfoundlanders die we in het begin van de twintigste eeuw gekend hebben.
Hoewel het fokken eigenlijk nog in de kinderschoenen stond, nemen we binnen zeer korte tijd toch al twee fokrichtingen waar. Het grootste verschil vinden we daarbij in de koptypen. De ene richting wenste en vlakke schedel met matige stop en lange snuit. De modernere richting prefereerde een sterk gewelfde schedel met overduidelijke stop en een korte, dikke snuit.
De fokkers op het vasteland van Europa vonden hun ideaalbeeld van de kopvorm tussen deze beide extremen in. Engeland keerde later ook tot deze meer harmonische kopvorm terug. Op het continent begint de Newfoundlanderfokkerij ongeveer tussen 1880 en 1890, met name in Duitsland en Zwitserland.
Het systematische fokken, en pionier in Duitsland was Max Hartenstein (kennel Plavia), vergrootte snel het aantal liefhebbers en honden. Daardoor werd in Duitsland in 1893 besloten tot de oprichting van de "Neufundländerklub für den Kontinent".
De Zwitserse fokkers sloten zich hierbij aan.
Het eerste stamboek op het vasteland begint met 5 importen uit Newfoundland en 20 uit Engeland. Hierbij zijn ook de voorouders te vinden van de eerste Newfoundlanders die vanuit Duitsland naar Nederland geïmporteerd waren.
Korte geschiedenis van de Newfoundlander